Wat is het risico bij beleggen in een obligatie?
Debiteurenrisico, renterisico, inflatierisico en liquiditeitsrisico — de vier risico's die elke obligatiebelegger hoort te kennen, en hoe zekerheden ze beïnvloeden.

Obligaties gelden als defensief, maar risicoloos zijn ze niet. Wie de vier hoofdrisico's kent, kan een uitgifte beoordelen zonder afhankelijk te zijn van marketingtaal.
1. Debiteurenrisico
Het belangrijkste risico: de uitgever kan de rente of aflossing niet betalen. Dit risico beoordeelt u aan de hand van de kasstroom, de schuldpositie, de spreiding van omzet over klanten en de vraag of er zekerheden zijn. Een eerste pandrecht op activa en intellectueel eigendom verandert de uitkomst bij wanbetaling wezenlijk: obligatiehouders worden dan als eerste voldaan uit de opbrengst van het onderpand.
2. Renterisico en 3. inflatierisico
Stijgt de marktrente, dan is uw vaste coupon relatief minder aantrekkelijk. Bij beursgenoteerde obligaties ziet u dat direct terug in de koers; bij een onderhandse obligatie die u tot einde looptijd aanhoudt, merkt u het alleen als gemiste kans. Inflatie werkt vergelijkbaar: 9% nominaal bij 3% inflatie levert circa 6% reëel rendement. Reken altijd met reëel rendement, niet met het nominale percentage.
4. Liquiditeitsrisico
Onderhandse obligaties zijn niet dagelijks verhandelbaar. Dat is een bewuste ruil: u accepteert dat uw geld vijf jaar vaststaat en krijgt daarvoor een hogere rente. De praktische regel: leg nooit uw buffer in, en spreid over meerdere beleggingen zodat één debiteur nooit uw hele portefeuille bepaalt.


